Anton Valcke

Marleen: Goedemorgen, Anton! We hebben net samen een lekker omeletje gegeten en er zijn tijdens het ontbijt twee roofvogels boven ons hoofd gepasseerd!

Ik wil eerst iets aan jou vertellen, Anton. Het is de eerste keer sinds jouw bestaan — en je wordt binnenkort 29 — dat wij samen spelen. En dat is eigenlijk echt wel een bijzondere ervaring. De aanleiding is dat ik je uitgenodigd heb om mee te spelen op het recital voor mijn masterproef. Als slagwerker, maar dan alleen met de handen en niet met de stokken, eigenlijk voor jou ook helemaal nieuw. Dat samenspelen voelt voor mij aan als een geweldig proces.

Sinds jij een drummer bent, bewonder ik enorm hoe jij groeit in het muzikant worden. Ik herken er natuurlijk veel van mezelf in, van mijn struggle of mijn zoektocht naar muzikant worden, muzikant zijn en muzikant blijven. Voilà, maar samen met jou mogen spelen is dus echt wel een feest en een groot geschenk.

Voor mijn theoretische proef heb ik allemaal mensen geïnterviewd die ik interessant vind, maar ik ga ook al mijn muzikanten interviewen. De muzikanten die met mij meespelen, heb ik met heel veel zorg uitgekozen. Het zijn allemaal mensen die ik graag zie. Ik zou het niet meer kunnen, denk ik; ik heb het ook nooit echt gekund om samen te spelen met mensen die emotioneel niet bereikbaar zijn en die ik niet graag zie, omdat dat toch een heel intieme activiteit is.

Troost is erbij zijn

Mijn eerste vraag is: wat is troost voor u? En is troost iets in de wereld waarvan je vindt dat het heel belangrijk is dat het er is? Dat zijn direct twee vragen.

Anton: Eerste vraag: wat is troost? Ik ga niet zeggen dat ik dat zomaar weet, maar wat troost voor mij is, denk ik, uit mijn eigen ervaring, is een vorm van erbij zijn. Als iets in mij troost nodig heeft, lijkt dat voor mij persoonlijk toch vaak voort te komen uit een gebrek aan iets: gezien worden of erbij zijn, of zo. Dat is vaak het geval wanneer er bij mij iets pijn doet of om troost vraagt. De manier om die troost te geven, is door ernaar te kijken en het te kunnen toelaten. Ik denk dat troost een soort wegnemen van pijn is, of zo, hoewel dat toch ook vaak niet het geval is, denk ik, maar eerder een herkenning van pijn: dat die er is en dat die er mag zijn. Dat wil daarom, denk ik, niet zeggen dat troosten zomaar per se verdriet, of wat dan ook, kan wegnemen, maar eerder dat het dat kan toelaten, het kan erkennen. Je kunt mensen op veel verschillende manieren troosten. Soms kun je een hulpmiddel aanbieden, maar ik denk dat troosten veel meer iets is van gewoon stil zijn bij iemand en vrij zijn.

Marleen: Stil zijn.

Anton: Ja, ik herinner me wat jullie vaak vertelden over jullie verdriet om de gestorven kinderen. Sommige mensen kwamen met oplossingen, maar dat het eigenlijk veel meer hielp wanneer mensen er gewoon bij kwamen zitten. En misschien niet eens goed wisten wat te zeggen of te doen, maar dat dan ook zo lieten. En er gewoon bij waren.

Het verdriet mag er zijn

Marleen: Je zegt twee dingen: lijden is voor jou niet gezien worden in iets, afgesneden worden van iets. En het is dat lijden dat troost vraagt of zoekt om terug gezien te worden, of naar iets zoekt dat er terug bij mag. En dan zeg je dat de aard van het troosten eerder iets is van er gewoon zijn, meer dan van iets doen en in oplossingen denken. Terwijl je ook wel zegt dat troost iets van het verdriet kan wegnemen. Maar toch niet echt, of wel?

Anton: Ik denk dat dat soms iets is dat ik zou willen. Ik merk dat bijvoorbeeld in mij: er zit een soort verdriet in mij dat ik gewoon heb; dat is er bij de geboorte precies gratis bij geïnstalleerd. En ja, soms als ik denk aan troost, dan voel ik mezelf verlangen naar: ach, was dat verdriet maar weg.

Maar in de realiteit is troost eerder iets van erkennen dat het verdriet er is, en dat het mooi is, en dat het er is met een reden en dat het een waarde en een schoonheid draagt die geen enkele reden zou moeten hebben om te verdwijnen. Ik denk dat troost het erkennen van die zelfliefde is.

Dat het er is en dat het er mag zijn. Ik heb wel het gevoel dat er een bepaald idee van troosten bestaat: zo van: ja kom, het is oké, hè. Stop maar met wenen. Het is niet nodig. Morgen is er nog een dag, of weet ik veel wat.

Marleen: Troost is een vorm van zelfliefde die kan erkennen dat het verdriet dat soms pijn doet er mag zijn, omdat je dieper weet: het heeft misschien wel een schoonheid en een waarde. En toch heb je troost nodig om die diepe zelfliefde te ervaren, om dat gratis geïnstalleerde verdriet beter te leren kennen, toch?

Anton: Ja, absoluut. Het is door troost dat ik dat kan herkennen of toelaten. Of kan laten opwellen. Ik noem het opwellen.

Marleen: Opwellen.

Troost als aandacht

Anton: In mijn dagelijkse leven heb ik nog niet helemaal het gevoel dat ik hand in hand loop met mijn emoties. Ik heb ze natuurlijk wel nodig om muzikant te zijn. Het is door aandacht of door troost dat het veilig voelt voor die emoties om naar boven te komen.

Marleen: En dan doet die troost net het tegenovergestelde van wat mensen vaak al troostend willen doen, namelijk iets wegwerken. De troost in de vorm van aandacht brengt eigenlijk uw emoties iets dichterbij, omdat je dat in je dagelijks leven nog niet al te veel doet, terwijl je als muzikant de verbinding met jouw emoties wel nodig hebt. En dan maak je een koppeling tussen troost en aandacht. Is troost gewoon aandacht?

Anton: Ja, voor mij wel, denk ik. Misschien is troost gewoon specifieke aandacht voor het verdriet of voor pijn. Ik koppel troost onmiddellijk aan verdriet, maar misschien is dat omdat dat bij mij zo is. Misschien kun je ook getroost worden voor woede, of zo. Dat weet ik niet. Maar voor mij is troost aandacht voor wat die troost verlangt, aandacht voor het verdriet. Marleen: Troost wordt vaak gekoppeld aan verdriet, maar troost kan ook gekoppeld worden aan woede.

Anton: Ja, of aan eenzaamheid of eender welke pijnlijke emotie.

Marleen: In het boeddhisme noemen ze het lijden. Het lijden door verdriet, maar evengoed door woede, onzekerheid, angst …

Anton: Ja, anxiety, stress: het heeft veel vormen.

Marleen: Je beschrijft een kwaliteit van aandacht die helpend is. Komt die aandacht alleen van de ander, of kun je die ook aan jezelf geven?

Anton: Ah nee, het kan allebei. Ik heb de laatste tijd toch vaak ervaren hoeveel waarde het heeft wanneer ik zelf aandacht geef aan een deel van mezelf, hoe paradoxaal dat ook mag klinken. Ik denk dat we allemaal een gekwetst kind in ons meedragen. En dat kind krijgt vaak te weinig aandacht. Dat verdient veel meer aandacht en heeft echt troost nodig. Dat voel ik. Ik krijg daarbij ook professionele hulp, door in therapie te gaan bijvoorbeeld. Dat is echt een vorm van mezelf troosten. Dat is echt ik die de jonge versie van mezelf omarm en knuffel, door erover te praten of door mij in te beelden dat ik dat doe. En ja, dat is echt mezelf troosten. En dat is ook wel belangrijk, denk ik, dat ik dat voor mezelf doe. Je kunt getroost worden door anderen en je hebt andere mensen nodig, maar de zelfhelende aandacht voor oude trauma’s, daar heb je, denk ik, heel hard je eigen liefde voor nodig.

Marleen: Ja, je moet het zelf doen, maar anderen kunnen jou wel helpen.

Anton: Ja, absoluut. En dat is essentieel: zonder hulp van anderen zou ik daar zelf nooit aan gedacht hebben, of misschien nu nog niet.

Schoonheid in de imperfectie

Marleen: Is het die zelfliefde die jou bij de schoonheid in het lijden brengt? Wat is dat dan precies? Wat is dan die schoonheid? Want je zegt: verdriet doet niet enkel pijn, schuurt en is lastig, maar heeft ook een schoonheid.

Anton: Ja. Het beeld dat bij mij direct naar boven komt, is dat van de natuur. Als je over perfectie spreekt, dan spreken we over de natuur. De natuur is een voorbeeld van iets dat perfect is. Alles is zo mooi aan de natuur: dat het morgen regent en vandaag de zon schijnt, en dat er dan weer onweer is. En dat is mooi, dat is perfectie. En dat staat helemaal haaks op ons typisch menselijk idee van perfectie: een soort geforceerde constante, denk ik. Ons idee van perfectie is een recht stuk baan, of zo, maar dat is niet perfectie. De complexiteit van een bos is voor mij de perfectie. Je kunt dat moeilijk op een grafiek zetten, wat een bos juist perfect maakt, maar dat is perfect. Die complexiteit is voor mij schoonheid. Een perfect mens is niet iemand die alle dagen om zes uur de afwas doet, maar iemand die al die complexe emoties niet verdringt. Het totaalplaatje van al die kleuren maakt iemand heel mooi. En ik vind dat bij mezelf ook. Ik vind mezelf veel mooier als het mij lukt om het verdriet, de woede, de frustratie en de angst naast het moedige, het creatieve en alle positieve dingen allemaal te kunnen voelen, ervaren en tonen. En dan zeker als muzikant. De perfecte muzikant is niet de snelste, of de meest consistente, of de ‘weet ik veel wat’. De meest authentieke muzikant benadert voor mij de perfectie. Een muzikant die je kunt voelen. Verdriet kan daarbij specifiek een supermooie klank zijn. Melancholische muziek die je raakt, die je doet wenen, dat is waardevol. En het zou heel jammer zijn als die kwetsbaarheid niet naar boven zou kunnen komen bij een muzikant, omdat hij die emoties niet kan verdragen of niet weet hoe hij moet zeilen in de zee van verdriet. Dat zou jammer zijn.

Marleen: Het is mooi dat je de vergelijking maakt met de natuur, waarin er ongetwijfeld ook lijden is, maar waarin er geen streven is naar ‘af’, ‘perfect’ of ‘juist’. En dat schoonheid net in haar grilligheid of in het onaf zijn zit. Het is die schoonheid die jij ook ervaart in jouw persoonlijke lijden.

Anton: Ja.

Marleen: Je maakt een mooie vergelijking tussen schoonheid in de natuur, die te maken heeft met het imperfecte of het natuurlijke verloop. En daar maak je een brugje naar het natuurlijke verloop van jouw emoties en van jouw lijden: de ene dag schijnt de zon en de andere dag regent het; in de natuur is er geen streven naar de mooiste, de hoogste of de minste fouten. Dat leunt eigenlijk heel sterk aan bij de schoonheid die je ervaart wanneer je jouw persoonlijke lijden toelaat. Voel je dan ook een verbinding met de natuur?

Anton: Nog niet zo heel erg. Ik voel dat er iets ongelooflijks gebeurt als ik in de natuur ben en ik voel me goed in de natuur. Maar ik woon bijvoorbeeld wel in een stad. Ik woon niet in de natuur. En in mijn dagdagelijkse leven is er niet zo heel veel natuur aanwezig. Dus ja, ik weet niet of ik me nu zo verbonden voel met de natuur.

Marleen: Je maakt wel een heel mooie vergelijking met de natuur.

Anton: Ik heb een tijdje in Yeunten Ling gewoond, heb toen veel in de natuur gewandeld en heb me gerealiseerd hoezeer dat mij geraakt heeft: hoe mooi en hoe perfect ik de natuur vind. En omdat ik toen al een tijd in Brussel woonde, voelde ik echt het contrast tussen hoe perfect de natuur is en hoe anders het is in de stad. De stad is iets dat wij gemaakt hebben en wij zijn ook natuur, maar dat is toch anders. In de natuur is alles zo harmonisch. Ja, alles danst daar perfect met elkaar. In de natuur lijkt het alsof er heel weinig is dat op elkaars tenen trapt. In de stad is dat niet zo. Maar om nu te zeggen dat ik heel erg verbonden ben met de natuur? Dat weet ik niet.

Schoonheid is er al

Marleen: Kunnen we eens teruggaan naar het begrip schoonheid? Wat is schoonheid? Je hebt eigenlijk al een mooie link gelegd, namelijk dat in de juiste vorm van troost schoonheid zit. Maar er zijn natuurlijk nog andere vormen van schoonheid.

Anton: Wat is schoonheid?

Een idee dat ik altijd al gehad heb, is dat schoonheid iets is dat er al is, of zo. Dat al bestaat voordat andere dingen bestaan. Dat is er voor de waarnemer, dat is er voor het objectieve, dat is er voor het subjectieve, of zo. Dat is er al. En wij zijn in staat om dat waar te nemen of niet waar te nemen. Ik denk dat er heel veel niet waargenomen schoonheid bestaat. Ik denk dat het gros van de schoonheid ons zelfs ontgaat.

Marleen: Bestaat schoonheid los van de waarneming ervan?

Anton: Absoluut.

Marleen: Dus wat mijn subjectieve ervaring van schoonheid is, is helemaal iets anders dan de schoonheid die gewoon is en die niet bestaat omdat iemand ernaar kijkt, ernaar luistert of ze opmerkt?

Anton: Ja, dat denk ik wel. Maar natuurlijk heeft schoonheid ook een subjectieve kant, want ik kan dingen mooi vinden die iemand anders niet mooi vindt. ‘Beauty is in the eye of the beholder’ wordt weleens gezegd. En uw attitude kan heel veel invloed hebben erop of je iets mooi vindt. Je kunt de ene dag iets mooi vinden en de andere dag niet meer, afhankelijk van je gemoedstoestand. Dus ik vind dat een heel moeilijke vraag, eigenlijk. En ik heb daar zeker geen eenduidig antwoord op.

Marleen: Je kunt het niet vangen in een netje of er een randje rond trekken. Maar ik vind het wel schoon dat je schoonheid herkent als iets dat is. Iets dat objectief is; het subjectieve is ‘in the eye of the beholder’. Voor de ene is schoonheid iets anders dan voor de andere.

De muziek komt u halen

Anton: Ja, want bijvoorbeeld iets dat, denk ik, heel veel muzikanten wel zullen erkennen, is dat het mogelijk is om, zeker als je improviseert — maar dat is waarschijnlijk bij niet improviseren ook zo —, het gevoel te hebben dat er iets uit je is gekomen dat niet van u gekomen is, maar door u gekomen is. Op een moment van volledig lucide spelen, of misschien zelfs componeren, ontstaat er iets dat groter is dan u, en heb je echt het gevoel: wauw, ik was hier. Ik was hier gewoon een luik, of zo, en wat er door mij gekomen is, daarvan heb ik geen idee waar het vandaan komt. Het feit dat zoiets kan gebeuren en dat je zoiets kunt ervaren, geeft mij het gevoel dat wij geen muziek maken. De muziek is er al. Alle muziek is er al, altijd al geweest, sinds het begin van alles. En wij vertalen dat gewoon wanneer het aan ons is. Zoals toen Bach bestond, was het aan hem om die muziek te vertalen in muziek. Maar misschien kwam die muziek niet zozeer van hem, maar door hem. En dat sluit aan bij mijn idee dat schoonheid al bestaat. Alles bestaat, alles is op elk moment constant in bestaan. Het ene moment merken we het op en op het andere moment niet. Het ene moment gaan we daar een label van schoonheid op plakken, het andere moment vinden we dat misschien niet nodig. Het ene moment gaan we het spelen en dan spelen we iets schoon; op het andere moment spelen we iets lelijk en waren we niet in de juiste toestand om die schoonheid tot leven te brengen.

Marleen: Jowan Merckx zegt: ik pluk dat dan uit de ether.

Anton: Ja, exact.

Marleen: Hij zegt ongeveer hetzelfde: ik surf op de traditie, op een golf van dingen die bestaan, en ik pluk melodieën uit de ether. Ik moet mij er dan wel voor klaarmaken om te kunnen plukken.

Anton: Dré Pallemaerts omschrijft het mooi: de muziek komt u halen. Dat is hetzelfde als slapen. Je kunt niet in je bed gaan liggen en zeggen: ik ga nu slapen. Je kunt wel doen wat jou helpt om in slaap te vallen. En dat weten we allemaal. Het is afkoelen, geen tv meer kijken, de lichten uitdoen, in uw bed gaan liggen, misschien uw tanden poetsen, whatever. Iedereen heeft zijn eigen ritueel. En dat is ook zo bij muziek of bij schoonheid: schoonheid komt u halen. Wij kunnen schoonheid niet zomaar gaan halen, want weten wij veel wat dat is. We kunnen dat niet. Ik denk dat niemand je echt de weg kan wijzen als je aan iemand vraagt waar de plek van schoonheid is. Maar wat we wel kunnen doen, is ons ritueel doen. En dat is dan waarschijnlijk ook wat Jowan zo goed beschrijft. En ik heb dat ook. Ik heb mijn ritueel waarvan ik weet dat ik het nodig heb om in die toestand te komen, om ontvankelijk te zijn voor die schoonheid. En er zijn dagen waarop ik voel dat het voorbereidende ritueel me al niet lukt. Of dat je het ritueel doet en dat je voelt van: ja, er zit van alles in de weg. En dan komen we terug bij die emoties. Het kan dan zijn dat er een emotie wil komen, of dat schoonheid zich toont in de vorm van een emotie, en dan voel ik soms: nee, ik ben hier niet klaar voor of ik wil het niet of ik ga dit tegenhouden. Want wat er zich nu aandient, is mogelijks wel mooi, maar vooral ook beangstigend, of welk label het ook krijgt.

De kleine geest

Marleen: Ja, en dan is het ook heel menselijk dat die angst het doorgeefluik naar schoonheid blokkeert.

Anton: Inderdaad, onze kleine geest. Dat is heel individualistisch. Iets dat zichzelf probeert te beschermen omdat het vergeten is dat er niks te beschermen valt. Je hoeft niks te beschermen, er is niks dat bedreigd kan worden, maar uw kleine geest denkt van wel en die gaat zich dan afsluiten.

Marleen: Wat is de kleine geest? De geest die niet verbonden is met het grotere geheel?

Anton: Zoiets, ja, het ego, zouden we dat ook kunnen noemen. Iets dat zichzelf beschermt en dat denkt dat er een strijd bestaat tussen mij en jij. Iets dat ervan overtuigd is dat als ik iets niet heb en jij wel, dat er dan een probleem is, of zo. Iedereen heeft dat gevoel, we kennen dat allemaal. Maar ik geloof dat het niet klopt wat die kleine geest denkt. Ik geloof dat de natuur dat goed weet. Wanneer een klimop een boom beklimt, gaat de boom geen militair plan ondernemen om die klimop te bestrijden. Het ene geeft plaats aan het andere, of zo, zonder al te veel weerwerk, omdat ze gewoon één ding zijn. Het is gewoon het bos. Of dat die boom nu een klimop is of een boom: het bos blijft het bos.

Marleen: Het is de weerstand van onze kleine geest of ons ego die ons eigenlijk belemmert om in verbinding te gaan met het grotere of met de schoonheid?

Anton: Dat denk ik wel, ja.

Marleen: Wie is hier aan het woord? De uitvoerder, de speler, de muziekmaker in u? Of is dat ook iets menselijks, los van de muzikant die je bent?

Anton: Dat is inderdaad heel menselijk, niet los van mijn muzikant-zijn, maar daarmee verbonden. Want ik ervaar dat als mens én als muzikant. De schoonheid die u komt halen, doet dat niet alleen in de muziek; ze kan dat ook op andere momenten in het leven doen. Schoonheid kan komen, maar wordt soms tegengehouden door onze kleine geest, in een gesprek met iemand of in handelingen die je doet, wanneer je toch weer optreedt vanuit je angstige ego, waardoor je de schoonheid niet laat zien. Mij raakt dat het hardst in mijn muzikant-zijn.

Leren horen wat mooi is

Marleen: In vorige gesprekken die ik had, werd er snel een link tussen schoonheid en de kunsten gelegd. Terwijl kunst natuurlijk altijd een artificiële vorm heeft, zit jij nu helemaal in het domein van schoonheid dat heel universeel is en los staat van een artistieke creatie. Voor jou zit schoonheid evengoed in een mooi gesprek, een ontmoeting, maar ook in het spelen, in de muzikant die je bent. Ik weet niet of de vraag nog relevant is: wat is dan schoonheid in de kunst?

Ik herinner me een anekdote van toen jij twee jaar was. We reden samen naar moeke Lier; jij ging nog niet naar school en ik moest gaan werken. De radio speelde in de auto en ik was eigenlijk niet aan het luisteren. Maar jij blijkbaar wel. Ze speelden een modern stuk voor trompet en piano, en plots zei jij, een klein manneke met een woordenschat van nog geen honderd woorden: ‘Deze muziek is fout.’ Niet dat ik je op voorhand iets had gezegd over die muziek. Je had dat, denk ik, niet aangeleerd gekregen, zo van: we gaan eens een onderscheid maken tussen goed en fout. Maar dat kleine ventje dat je was, had wel een duidelijke mening. En dan begon ik te luisteren naar die muziek, en dan dacht ik: man, die is lelijk, die muziek. Wat is dat dan?

Anton: Ja, wat is dat dan?

Marleen: Nog een anekdote: wij gingen een weekendje op vakantie. Je was ook nog niet groot, je ging nog niet naar school. Toen we thuiskwamen, zette jouw papa muziek op: het was een concerto van Mozart of Beethoven, denk ik. En er stonden van die hele grote luidsprekers op de grond in onze woonkamer. Jij liep onmiddellijk naar een box en omhelsde die met je kleine armpjes. En je legde jouw piepkleine oortje tegen de box. Minutenlang bleef je daar bijna ademloos tegen die box plakken. Zo van: oh, dit heb ik gemist. Terwijl wij daar geen notie van hadden. Ja, wij konden wel eens twee dagen zonder klassieke muziek. Jij blijkbaar niet.

Anton: Wat is dat? Ik heb geen idee.

Marleen: Voor mij zijn dat twee ervaringen van hoe jij schoonheid en het gebrek eraan ervaarde.

Anton: Ik zou niet weten hoe je dat dan moet zeggen. Misschien is die ene muziek geschreven vanuit een geïnspireerde plek en de andere muziek niet, maar dat weet ik niet. Misschien vinden die mensen die ‘lelijke’ muziek zelf de max? Ongetwijfeld. Ik denk dat het concept schoonheid zo breed en kleurrijk is dat er maar weinigen onder ons het volledige palet aan schoonheid kunnen ervaren. Ik weet het niet. Want we hebben allemaal onze voorkeuren, zelfs onze culturele voorkeuren. We zijn allemaal van een andere cultuur, dus bepaalde mensen van een andere cultuur vinden andere dingen mooi. We hebben allemaal andere schoonheidsidealen. Maar het ene is niet schoner of minder schoon dan het andere. Het hoort allemaal in datzelfde potje schoonheid.

Marleen: Je zegt in alle nederigheid: schoonheid is. Voilà, daar blijf je voor een stuk af. Wij zijn klein en wij kunnen maar ervaren wat er binnen onze wereld van de mogelijkheden van het ervaren zit. En wij zien maar een klein stukje, een spie van die grote taart van schoonheid. Schoonheid is wel cultureel bepaald: wat je niet geleerd hebt of waarmee je niet bent opgegroeid, is veel complexer om als schoon te ervaren.

Anton: Ja, waar je niet aan gewend bent, inderdaad. Marleen: Jij bent als klein manneke opgegroeid met veel klassieke muziek en dan hoor jij plots een modern klassiek stuk dat buiten uw esthetische ervaring valt …

Anton: Ja, toen ik voor het eerst naar jazz begon te luisteren, vond ik dat ook niet mooi, zeker niet. En oké, er was toch ergens iets dat mij motiveerde om daar naartoe te gaan. Ik ben niet opgegroeid met veel jazz. Ik heb altijd klassieke piano gespeeld en nu ben ik toch jazzdrummer geworden. Maar in het begin, als ik naar jazzmuziek luisterde, begreep ik er niets van. Voor mij was dat getjangel door elkaar, en waarom spelen die zo raar? En nu kan jazz mij diep, diep, diep ontroeren. Ik voel vaak dat dat ook heel niche geworden is. De muziek waar ik van hou: als ik die aan mensen laat horen, krijg ik meestal rare gezichten of zie ik mensen kijken van: allee, dat is toch maar rare muziek of lelijke muziek, zoals ik het toen ook als kindje ervaarde. Dus het is een deel van de schoonheid waaraan ik nu meer gewend ben, maar voor andere mensen klinkt die muziek vaak niet goed. Maar evengoed zijn er al zoveel andere vormen en genres van muziek die andere mensen mooi vinden, waar ik nog nooit aan toegekomen ben. Ik was eens op een metalfestival omdat mijn vrienden mij daarmee naartoe namen, en die muziek deed mij niks. Ik zag wel hoe hard mensen daar geraakt werden, tot op het emotionele af. Dus daar zit dan duidelijk toch ook een schoonheid waar ik mogelijks blind voor ben of die mij iets komt zeggen dat ik niet wil horen. En dat hoeft ook niet. We hoeven niet allemaal alles mooi te vinden. Je mag perfect gewoon zijn wie je bent en je eigen deel van die schoonheid schoon vinden.

Want het zijn wij allemaal die de volledige schoonheid representeren.

Marleen: Zo mooi hoe je heel genuanceerd spreekt en vooral geen kwaliteitslabel plakt op wat wel of niet mooi is. Maar je spreekt eerder over ervaring. En hoe meer kennis je over bijvoorbeeld jazzmuziek hebt, hoe meer je de schoonheid erin kan ervaren.

Anton: Ook wel, ja.

Marleen: Door vertrouwd te raken met de dingen dient de schoonheid zich nog veel meer aan.

Anton: Absoluut.

Wanneer is een muzikant goed?

Marleen: Bestaat er kitsch?

Anton: Nou ja, dat bestaat natuurlijk wel. Ik denk dat we allemaal wel kunnen herkennen dat er goede muzikanten, iets minder goede muzikanten en zelfs slechte muzikanten zijn. Er bestaat slechte muziek, heel veel zelfs: muziek die gewoon echt niet goed is. Dat denk ik wel. Maar om nu te zeggen waarom ik dat vind, is wel moeilijker. Ik denk dat de mate waarin iemand zich kan ontdoen van zichzelf en zichzelf puur kan maken, voor mij datgene is wat hem onderscheidt van andere muzikanten. Mijn idolen zijn mensen die heel erg zijn losgemaakt van zichzelf. Ze hebben natuurlijk wel een enorme muzikale identiteit. Dat wel, dus ik zeg niet dat je een nobody moet zijn, zeker als jazzmuzikant, want dat is een ongelooflijk individualistische manier van samenspelen. Iedereen is een pilaar op zichzelf. Maar tegelijkertijd heb ik het gevoel dat die grote muzikanten losgekomen zijn van zichzelf, of zo. En dat maakt voor mij een goede muzikant, omdat die echt in staat is om de rol van dat doorgeefluik te vervullen. Iemand die voor mij eerder wat blijft haperen of wat amateuristisch blijft, is vaak iemand die te veel met zichzelf bezig is. Het is zo moeilijk, het is echt bijna paradoxaal wat ik zeg, maar …

Marleen: De muzikant heeft een soort van individuele bevrijding nodig om volledig ten dienste te staan van de schoonheid, anders gaat iets de kunst heel erg in de weg staan. Iets dat met de persoonlijke kleine geest te maken heeft? Of met het ego? En veel minder met hoe je in je muzikant-zijn ten dienste van de kunst zou kunnen functioneren.

Anton: Ja, want wanneer een goede muzikant gaat spelen, gaat de muziek hem vragen om bijvoorbeeld nu te stoppen met spelen. De muziek vraagt dat, of de schoonheid doet dat in het stuk of in een improvisatie.

Ik heb althans het gevoel dat als je improviseert, er momenten zijn waarop uw intuïtie — dat is volgens mij je kompas om met de schoonheid te spreken — plots zegt: nu moet je stoppen met spelen of nu moet ik keiluid beginnen te spelen, of whatever. En de mate waarin je die, tussen aanhalingstekens, instructies kunt opvolgen, maakt dat je een goede muzikant bent, omdat je de muziek kunt geven wat ze op dat moment nodig heeft.

Maar een amateur bijvoorbeeld, of iemand die dat loskomen nog niet heeft voltooid in zijn leven, kan misschien niet stoppen met spelen omdat hij nog iets te bewijzen heeft. Als de muziek je vraagt om klein en nederig te worden en op de achtergrond te gaan zitten …

Marleen: Wie ben ik dan?

Anton: Wie ben ik dan nog? Nee, ik wil gezien worden. Of omgekeerd: misschien zegt de muziek: nu moet je heel luid spelen en veel lawaai maken; dan moet je echt donder en bliksem een stem geven. Misschien is de muzikant veel te bang of te onzeker en zegt hij: oh nee. Op dat moment komt hij niet los van zijn kleine geest en is hij niet vrij om te doen wat de muziek vraagt, en dat komt de muziek niet ten goede.

De intuïtie als kompas

Marleen: Uw kompas is uw intuïtie, zeg je.

Anton: Dat denk ik wel.

Marleen: Is dat uw innerlijke partituur?

Anton: Zoiets, ja.

Marleen: Want de partituur zit in de schoonheid zelf, denk ik. De vertolker haalt zijn informatie uit zijn intuïtie en probeert niet tegemoet te komen aan de nood van zijn kleine geest, die bang is of gezien wil worden, maar brengt die kleine geest tot rust om vanuit zijn intuïtie te kunnen voelen wat de muziek op dat moment aan hem vraagt.

Anton: Ja, exact. En opnieuw gaat dat voor mij verder dan muziek alleen, want in het leven is dat ook zo. Ik voel vaak dat mijn intuïtie een idee in mijn hoofd kan gooien, en dan kan ik aan mezelf voelen in welke mate ik in staat ben om daarin mee te gaan of hoe ik blokkeer. Dat kunnen de kleinste dingen zijn. Je ziet iemand die je mooi vindt op straat en je intuïtie zegt je: zeg daar iets van. En dan voel ik heel snel hoe vrij of onvrij ik ben om dat daadwerkelijk te doen. Dat is een klein praktisch voorbeeld, maar dat zijn momenten waarop je durft springen in het leven. En al mijn grote muzikale helden zijn mensen die ongelooflijk hard van een klif durven springen. Waarschijnlijk omdat hun gigantische intuïtie hen dat vraagt en zij daarop kunnen ingaan. En daardoor maken ze ongelofelijke muziek die heel uniek is of heel vernieuwend. Heel mooi, experimenteel of vindingrijk, of whatever.

Marleen: Het volste vertrouwen zit daarbij niet in de doelgerichtheid, in het vertrouwen dat ze misschien wel weten waar ze naartoe springen, dat ze weten dat het daar oké is. Maar het vertrouwen zit in de intuïtie, die hen op een plek zal brengen waar het goed is om naartoe te gaan.

Anton: Ja, exact. Ik weet niet of het zelfs uitmaakt of je weet waar je naartoe gaat. Maar ik denk dat je gewoon weet dat je veilig bent, no matter where you go, en dat je veiligheid ook niet afhangt van waar je naartoe gaat. Ja, dat is heel idealistisch, maar dan kan er bijna geen onveiligheid meer bestaan. Zeker in muziek ben je echt vrij om alles te doen; dat is heel ongevaarlijk. Zeker als je op het podium zit en je bent aan het spelen, zijn er geen gevaren, of zo. We maken ons dat allemaal wel wijs, dat er bijvoorbeeld foute noten zouden zijn. Maar foute noten bestaan natuurlijk niet. De enige minder ideale noot is gewoon de noot die je jezelf niet gegund hebt om te spelen. De stilte die je jezelf niet gegund hebt om te spelen, want dat is misschien zelfs nog belangrijker. Maar dit is natuurlijk wel heel idealistisch, want ik ben nog een jong mens die dat allemaal nog aan het ontdekken is in een eerder beginnend stadium, of ergens in het midden, of weet ik veel.

Marleen: Ja, het is bijzonder fijn om naar jou te luisteren, Anton. Je trekt eigenlijk heel weinig gefixeerde lijnen rond de begrippen, als in: dit is dat en dat is dat niet. Je meandert heel de tijd mooi door en rond de begrippen. Het beeld dat jij creëert, vind ik bijzonder hoopvol voor een jonge muzikant als jij. Ambitieus ook. Je beschrijft jouw wereld van de schoonheid, waar je je lijden in kunt leggen, maar ook je inspiratie. Het is een beetje dezelfde wereld. Dat heb ik bij weinigen zo verbonden ervaren.

Waar troost en schoonheid elkaar raken

Mijn laatste vraag is: wat is de relatie tussen troost en schoonheid? Je hebt al heel veel over die relatie verteld.

Anton: Ja, wat is de relatie tussen troost en schoonheid? Ze zijn duidelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat spreekt ergens wel voor zich.

Marleen: Wat mij in het begin van ons gesprek heel erg is opgevallen, is dat je zegt: als je troost in een vorm van aanwezigheid kunt toelaten, dan kan het lijden zich transformeren of kan in het lijden schoonheid erkend worden.

Anton: Inderdaad, ja.

Marleen: Daar leg je al onmiddellijk de link tussen troost en schoonheid, namelijk schoonheid die groots en universeel is en aanwezig kan zijn in het lijden. De volgende stap die je zet, is het erkennen van de natuur als het ideale voorbeeld van schoonheid. De natuur is perfect in zijn imperfectie. Het lijden van de mens zit daar waar hij naar een perfecte staat wil evolueren. Anton: Ja, inderdaad, ik kan het niet beter zeggen. Ik was nog aan het denken over de manier waarop bijvoorbeeld muziek dan troost kan zijn voor mensen. Ik probeer na te denken over hoe ik mezelf troost met muziek. Maar ik doe dat niet. Ik weet niet of ik dat echt doe met muziek.

Spelen als troost

Marleen: Ben jij gelukkig als je speelt?

Anton: Ja, daar was ik nu juist over aan het nadenken. De gelukkigste momenten voor mij zijn tijdens het spelen van muziek. Ik merk dat vaak niet op tijdens het spelen, maar wel daarna en soms ook ervoor. Heel belangrijk voor mij is mijn ochtendritueel, mijn studie. Ik ga elke dag naar school, naar het conservatorium. Dat ritueel staat redelijk vast. Ik heb daar weinig mogelijkheid tot flexibiliteit en ik heb dat echt nodig, heb ik het gevoel. Er zijn van die dagen dat ik toekom op school en, wanneer ik mijn drumstel zie, een euforie voel die ik nergens anders kan voelen. Dat is onvergelijkbaar. En dat is ook wel ergens een troost, of zo. Dat troost mij echt. En ook de euforie die ik kan voelen na het spelen van een concert, is onmetelijk in vergelijking met alle andere aspecten van mijn leven. Dat is ongelooflijk, ja. En dat troost mij ook. Of dat geneest mij, denk ik, echt. Vaak ervaar ik het als troostend wanneer ‘het’ gebeurt tijdens een concert: wanneer je niet al te veel remmingen op jezelf zet en je jezelf echt toelaat om je uit te drukken. In het dagelijkse leven heb ik het daar niet altijd zo gemakkelijk mee: mezelf uitdrukken zonder remmingen, zonder correcties of zonder constant af te toetsen wat er misschien sociaal van mij verwacht wordt, in plaats van gewoon ongeremd mezelf te zijn. Op mijn instrument lukt dat soms beter. En dat is ook troost voor mij. Dat is: doe maar, jongen; besta maar, jongen. En dan zijn troost en schoonheid bijna hetzelfde, want dan zijn we ook weer bij hoe ik schoonheid zie: dat ongeremde, vrije jezelf-zijn. En troost vraagt dat ook, of troost is bijna datzelfde erkennen: van ja, wees maar vrij, doe maar. Je mag verdrietig zijn of je mag boos zijn.

Marleen: Ja, dat is bijzonder fijn om te horen, hoe dat zo troostend kan zijn, terwijl je niet de intentie hebt van: ik ga eens wat troost zoeken door op mijn drumstel te spelen.

Anton: Nee, niet echt. Soms kan ik heel ongelukkig zijn of heel emotioneel zijn en dan vind ik het moeilijk om effectief te zeggen: en nu ga ik naar mijn drumstel en ga ik mij daar dan troosten, of zo. Nee, dat is moeilijk. Want dan zou ik eigenlijk van mezelf vragen om heel erg dicht bij die emotie te zijn en ook vanuit dat verdriet te spelen. En dat is wel nog moeilijk. Ik heb ook heel mijn leven piano gespeeld. Maar op mijn drum voel ik mij meer op mijn gemak en kom ik mijzelf misschien meer tegen, en dat bevalt mij heel erg. Maar specifiek verdriet en melancholie vind ik veel gemakkelijker om te vertalen of op te wekken op een piano, bijvoorbeeld. Verdrietig drummen is iets dat ik nog altijd moeilijk vind om goed te doen. Op de drum kan ik veel andere dingen raken en triggeren. Maar verdriet zit voor mij meer in een piano. Gelukkig bestaan er ook piano’s.

Marleen: Bepaalde emoties zijn gemakkelijker uit te drukken of kun je gemakkelijker terugvinden op bepaalde instrumenten.

De schoonheid van het dagelijks doen

Anton: Ja, en dat is wel iets wat ik soms doe. Als ik voel dat er verdriet in mij zit en dat eruit moet, dan gebeurt het wel dat ik piano ga spelen en dat ik dan dat verdriet er ook echt uit krijg. Maar bij het drummen is dat anders: drummen is eerder als mijn dagelijks zitten, zou de boeddhist in mij zeggen. Je vraagt je niet af: ga ik dat nu doen of niet? Of waarom doe ik dat? Of hoe lang moet ik dat doen?

Marleen: Of: ik doe dat totdat ik resultaat heb.

Anton: Nee, je doet het gewoon. Dus voor mij is drummen gewoon een non-negotiable daily practice.

Marleen: Dat is eigenlijk uw bodem klaarmaken om een zaadje te ontvangen dat dan een schone plant kan worden.

Anton: Inderdaad, elke dag een beetje omspitten. Dat is ook de schoonheid, het dagelijks doen. Dat is pure schoonheid. Net zoals iemand dagelijks zit. Dat is de verlichting, het doen van het zitten. Het is niet dat je dan iets bereikt na het zitten, maar het gaat om het gewone doen.

Marleen: Dankjewel, Anton, om in uw wereld van schoonheid toegelaten te worden. Ik vind hem heel schoon.

Anton: Paddoem, voilà.

Marleen: Haha, qua synthese kan dat tellen. Het is schoon wat je zegt. Het is heel schoon.

Anton: Het zijn boeiende vragen, echt wel ‘food for thought’.

Marleen: Ja, ik vind het zo heerlijk. Ik vind het zo fantastisch. Ik vind het zo schoon omdat er in mijn luisteren een web ontstaat tussen al die andere gesprekken die elkaar daar vinden. Het lijkt soms alsof jullie precies op voorhand iets met elkaar hebben afgesproken. Dominik zegt ook iets heel schoon over improviseren. Hij improviseert elke avond na tien uur op zijn klavichord, om de buurtvrouw niet te storen, maar het is echt improviseren. Het is niet doelgericht improviseren, maar dan weet hij: dan ga ik beter dromen.

Anton: Oké, fantastisch.

Marleen: Dat is mooi, hoe de verhalen één groot web worden vanuit ieders eigen benadering. Maar jij bent de eerste die op zo’n organische manier, zonder dat de vragen eerst moesten komen, linken legt tussen troost, lijden en schoonheid. En dan die definitie van schoonheid die geen definitie is, waarbij je zo ver weg blijft van iets meetbaars, esthetisch of artistieks, en je het over de schoonheid als een vorm van leven of zoiets hebt. Dat vind ik heel knap. Mijn intentie was een kort gesprek. Gelukkig is dat niet gelukt.

Dank u wel, Anton.


Anton Valcke (1997) is jazzdrummer en student aan het Conservatoire Royal de Bruxelles. Hij beweegt zich tussen uiteenlopende stijlen als jazz, afrobeat, rock en neo-soul en is actief in verschillende projecten, waaronder Reinel Bakole, Gaaci Fusion en het Kays Frihat Quintet. Voor Anton is muziek spelen een manier om te luisteren, te verbinden en de stilte te eren.


Maarten Deckers

Grafisch vormgever uit Leuven met een zwak voor sterke verhalen. Vanuit mijn studio help ik sinds 2002 bezielde makers en ondernemers om hun visie helder en visueel te vertellen. Met liefde voor typografie en een scherp oog voor detail realiseerde ik al meer dan 400 boekontwerpen en talloze brand identities en websites. Ik denk graag strategisch met je mee om jouw verhaal te vertalen naar een ontwerp dat klopt tot in de kern.

Heb jij een verhaal dat een sterke vorm verdient?
Neem contact op, bekijk meer van mijn werk of volg mij op LinkedIn.


Specialisaties:
Grafisch ontwerp, boek- en omslagontwerp, huisstijl, logo, drukwerk, digitale communicatie & Squarespace websites.

Vorige
Vorige

Dominik Riepe

Volgende
Volgende

Martin Valcke