Luc De Winter
Componist en Boeddhist
Marleen: Dag Luc, jij leeft in een schone combinatie. Je bent muzikant, kunstenaar, componist en ook zenboeddhist en zenmeester.
Luc: Die twee werelden zijn voor mij niet gescheiden. Ik ben muzikant en ook boeddhistisch. Mijn twee sites verwijzen naar elkaar.
Marleen: Hoe bevruchten die twee werelden elkaar?.
Luc: Mijn muziek is expliciet boeddhistisch, expliciet zen. Dat betekent niet dat ik muziek maak voor Tibetaanse instrumenten of gebruik maak van een Japanse shakuhachi fluit. Ik heb lang gezocht naar de essentie van muziek. Wat is muziek voor mij? Wat drukt muziek uit die mij echt raakt? En waar komt dat dan vandaan? Dat is de bron, de inspiratie van waaruit ik mijn muziek schrijf. En daarin voel ik mij verwant met bijvoorbeeld Arvo Pärt of Morton Feldman. Ook al bekijken zij het rationeler, maar eigenlijk is Morton Feldman heel nabij. Ik houd mij ook veel bezig met de opnames van Marcel Pérès. Dat raakt mij gigantisch. Hij heeft mij zelfs ooit op een concert totaal weggeblazen. Dat was een onwaarschijnlijke ervaring. Dat is wat ik doe.
Marleen: Dat lijkt mij heel moeilijk om in woorden te beschrijven, denk ik? Want wat is de essentie van muziek? En dan wijs je naar binnen: waar gaat muziek werkelijk over? Voor jou is er een sterke verbinding tussen de muziek die je maakt en het boeddhisme. Zijn de kunstenaars die je inspireren ook boeddhisten?
Luc: Eerder mystici. Veel kunstenaars zouden zichzelf zo nooit genoemd hebben, maar ik ervaar het wel zo.
Muziek is voor mij de uitdrukking van de verbinding die ik voel met het bestaan.
Dat is voor mij de essentie van mijn muziek. En dus, alle muziek die ik schrijf is daar een voorbeeld van, op een paar uitzonderingen na. Dat heeft zich ook zo ontwikkeld.
Marleen: Zoek je naast componist ook als uitvoerder naar die essentie?
Luc: Ofwel vind je mijn muziek saai, onnozel en te simpel, ofwel vind je ze geweldig en dan heb je er een connectie mee.
Marleen: Speel je ook je eigen muziek?
Luc: Nee, mijn ziekte laat dat niet meer toe. Ik speel alleen thuis wel eens mijn muziek, maar ik schrijf voornamelijk. Bij mij zit het in het schrijven. Daarom werk ik met uitvoerders, ook omdat ik zelf niet betrouwbaar genoeg ben qua gezondheid om een avondconcert te spelen.
Marleen: En in die essentie, in uw zoektocht naar uw muzikale taal, spreekt ook de boeddhist?
Luc: Niet dat ik ‘s morgens opsta met het idee: vandaag ben ik boeddhist, of ik ben zenmeester of wat dan ook. Maar alles wat ik doe, benader ik vanuit een boeddhistische houding. We hebben het zojuist gehad over de afwas: ook uw benadering daarvan is boeddhistisch, of je dat nu zo noemt of niet. (noot: ik probeer mijn weerstand voor de afwas weg te werken door het te bekijken als ‘spelen met water’ en te genieten van het contact van mijn handen met het water.) En die fameuze motivational speaker: ik weet niet of hij boeddhist was of niet, maar wat hij zegt is puur boeddhisme.
Marleen: Het verhaal over die man zonder benen?
Luc: Ja, die man zonder benen zegt: “Ik ben opgehouden te vinden dat ik eigen benen zou moeten hebben.” Hij heeft die wrijving losgelaten. Boeddhisme op zich is voor mij ook niet zo belangrijk, want ik denk dat je die waarheid ook in andere religies of strekkingen hebt. Dat vind je ook in Advaita Vedanta, waarin ik ook leraar ben. Dat smelt voor mij volledig samen. Ook bij bepaalde christelijke mystici, zoals Meister Eckhart, en in het Soefisme vind je hetzelfde terug. Dat is voor mij universeel.
Marleen: Jouw wereldbeeld en wat je doet als mens in de wereld, zijn met elkaar verbonden. Daar zitten geen schotten tussen. Die kijken naar elkaar.
Luc: Ik leer mijn leerlingen de praktijk van zazenmeditatie, maar het is wel de bedoeling dat je die geesteshouding meeneemt in heel je leven. Dat ze elk uur van elke dag doordringt en dat je eigenlijk elke seconde zen beoefent. En dat het niet een inspanning is, maar een tweede natuur wordt van loslaten en in het moment zijn.
Pijn, lijden en geluk
Marleen: Kan je het verschil uitleggen tussen pijn en lijden?
Luc: Als je in je vinger hebt gesneden, doet dat pijn. Dat is een alarmsignaal: hier is een probleem, daar kan je iets mee doen. Er is uiteraard ook psychische pijn: gevoelsmatige, emotionele pijn. Ook die pijn is een teken dat er iets is dat aandacht vraagt. Dat zijn allemaal vormen van pijn.
Lijden betekent dat je last krijgt van die pijn. Lijden zie ik ook als een signaal. Dat is een signaal dat je niet helemaal juist bezig bent, dat je niet het juiste zelfbeeld of het juiste wereldbeeld hebt. Als ik bijvoorbeeld felle hoofdpijn heb, neem ik een pijnstiller en ga ik rusten. Dan heb ik alles gedaan wat ik kan doen. Als op dat moment de hoofdpijn er nog is, dan moet ik die gewoon aanvaarden en het idee loslaten om te denken dat ik eigenlijk geen hoofdpijn zou mogen hebben. Dan blijft de pijn als dusdanig, maar dan is elk ongemak, elke onbevredigdheid, elk echt lijden verdwenen.
Ik kan door mijn ziekte elke dag oefenen met pijn en ongemak. Het is iets wat er gewoon is. Het is er, zoals die plant op de vensterbank er is. Die pijn is deel van het meubilair, maar ik heb daar geen last van. Ze bedreigt mijn levensgroei of mijn geluk niet. Dat geluk is niet afhankelijk van omstandigheden. En natuurlijk is er ook in zekere zin: als er morgen vreselijke dingen gebeuren, ga ik ongelukkig zijn op een bepaald niveau, en dan hoop ik toch dat het geluk, dat dieper in het bestaan zelf zit, kan blijven en ergens niet bedekt geraakt.
Geluk kun je ook op verschillende manieren beschrijven. Mensen zijn soms gelukkig als ze een nieuw huis of een nieuw job hebben of een nieuw lief. Dat kan een goed gevoel geven, wat we geluk noemen. Maar in de zen en Advaita, bijvoorbeeld, en andere mystieke stromingen spreekt men van een geluk dat inherent is aan het bestaan en dat niet afhankelijk is van omstandigheden. Ik noem dat een stil geluk. Je kunt dat ook gelijkmoedigheid noemen, al klinkt dat een beetje saai voor de mensen. Bij gelijkmoedigheid ben je niet verstoord. Ik zie het eerder als een soort van stil geluk die veel krachtiger is dan het wildere geluk, van: ‘Er is iets geweldigs gebeurd en nu ben ik heel gelukkig’.
Marleen: Is het zo dat hoe meer oefenmateriaal je hebt - hoe meer planten er als het ware in de kamer staan - hoe bewuster je je kunt worden van het verschil tussen pijn en lijden, en hoe intenser je het inherente geluk kunt ervaren?
Luc: Ik denk dat dat klopt. Hier komen twee dingen samen. Ik leg je het verband uit met een voorbeeld. Ik had een leerling in de zen: een vrouw die topmanager was bij een groot bedrijf. En die zei mij: “Als topmanager moet je houden van problemen. Aha, een probleem. Fantastisch.” Als je zegt: “Een probleem? Ah nee!”, dan moet je geen manager zijn, of geen topmanager.
En het is hetzelfde als beoefenaar van deze praktijk, die je zen kunt noemen of mystiek of wat dan ook.
Je stelt je open voor alles wat onaangenaam is, of zou kunnen zijn op het eerste gezicht, om het te doorprikken en te zien dat het eigenlijk best oké is.
Marleen: Dus je moet nieuwsgierigheid blijven koesteren? Hoe meer lastigheden, hoe vaardiger je wordt?
Luc: Als je al die lastigheden kan transformeren tot ‘dat wat is’, kunnen ze een poort zijn om echt gelukkiger te worden.
Ik moet ook denken aan mijn goede vriend Kazuaki Tanahashi, een 93-jarige Japanner die al sinds 1977 in Amerika woont. Hij is wereldberoemd om een aantal redenen. Hij is een sprekend voorbeeld van iemand die gelukkig kan worden door moeilijkheden op zijn pad niet uit de weg te gaan. Als er bijvoorbeeld iets zwaars getild moet worden, doet hij dat met plezier. Mensen zoals hij kunnen er oprecht blij van worden wanneer ze moeilijkheden niet uit de weg gaan, ondanks hun ouderdom of pijnlijke rug.
Troost
Marleen: Is er eigenlijk iets dat moet getroost worden in het leven? Moeten we troosten?
Luc: In de zentraditie spreken we niet over troost. We spreken over loslaten en over niet uit de weg gaan van wat er is. Als je van iemand houdt en die sterft, dan is er rouw. En dat is normaal. Dat is het nieuwe evenwicht van die liefde die je voelt. Als je die rouw niet voelt, heb je niet van die persoon gehouden.
Zoals mijn therapeut ooit zei: toen zijn favoriete nonkel stierf, kreeg hij de raad om niet triestig te zijn. Zijn antwoord was: “Pak me mijn verdriet niet af. Mijn verdriet is de liefde die ik voor mijn favoriete nonkel voel.” Dat is klaar en duidelijk.
Bij een normaal rouwverloop transformeert rouw zich in een herinnering. Bij een verstoord rouwproces blijft je vasthangen in hevige rouwgevoelens. En dan denk ik dat de beoefening van zen je kan helpen om uit dat verstoord vasthangen te komen en los te laten waar nodig is. Maar vreemd genoeg zie ik in deze uitleg, die voor mij ongeveer het plaatje is, geen troost verschijnen. Of toch niet het woord troost.
Als je het vastzitten in de rouw loslaat en de rouw zich zo op natuurlijke wijze gaat verminderen en transformeren, dan is dat troost natuurlijk.
Troost is dan medevoelen, iemand die er is voor jou, niks speciaal zegt, maar in open aandacht bij jou is.
Bijvoorbeeld in de laatste levensfase, bij mensen die sterven moet je niet altijd gaan zitten om eindeloze gesprekken te hebben. Dat kan nodig zijn, het kan zijn dat er dingen uitgesproken moeten worden. Maar essentiëler is de attitude: “Ik ben hier samen met jou in dit gebeuren aanwezig." En dat kan troost zijn.
Ik ben wel een beetje voorzichtig met het woord troost. Het doet mij soms een beetje denken aan een soort van pleister die we ergens opplakken, die een soort van oppervlakkig hulpmiddel kan zijn. Dat kan natuurlijk ook soms zijn functie hebben.
Meester Eckhart heeft er een mooi boek over geschreven: Het boek van de goddelijke troost.
Lijden, troost en schoonheid
Marleen: Er is veel kunst en muziek gemaakt vanuit de inspiratie en het gevoel van lijden. Is er een link tussen lijden, troost en schoonheid?
Luc: Als ik geveld ben door vermoeidheid en brain fog, en ik kijk naar een van de mooie kunstwerken die hier hangen, dan voel ik me gevoed, echt gevoed. Dan krijg ik een soort energie die mij inspireert om te gaan schrijven. Dat noem ik eigenlijk geen troost maar eerder een soort van voeding. Voeding en zingeving.
Marleen: Ervaar je een relatie tussen lijden en schoonheid, of tussen lijden en zingeving?
Luc: Ja. Maar wanneer je je hecht aan schoonheid, zeggen ze in het boeddhisme, kun je nog meer lijden veroorzaken. Voor mij is het vooral het wakker zijn, het in het moment zijn, dat mij helpt. Maar inderdaad, schoonheid is voor mij een soort van voeding, zoals ademen dat ook is voor de mens van vlees en bloed, als lichaam-en-geest, zoals we zeggen in de zen. Voor mij is schoonheid heel belangrijk. Ik ben heel veel thuis. Ik zit heel veel in deze ruimte.
Door met open aandacht te kijken naar de kunst die hier gewoon staat, word ik gevoed.
En dat is heel interessant om te zien.
Marleen: Zonder dat jij het woord gebruikt, ervaar ik wat je beschrijft als troostend.
Luc: Ik denk nu aan een vriendin die zich dikwijls niet goed voelt en soms somber, zwartgallig en triest is. Zij voelt zich dan getroost door de impressionisten, door Klimt en schone schilderijen, enzovoort. Dat brengt haar troost. En ik snap dat, maar ik ervaar dat niet als troost. Ik ervaar de relatie met schoonheid heel anders. Ik ga beter functioneren en ik krijg inspiratie en voeding van mooie dingen. Maar ik zal het niet als troost benoemen, vreemd genoeg.
Marleen: Want aan het woord troost hangt voor jou een vreemde of beklemmende connotatie? Misschien wil ik met deze gesprekken het woord troost zuiveren of het opnieuw in zijn ware betekenis erkennen. Jij zegt zoveel mooie dingen die eigenlijk troostend zouden kunnen zijn, zonder te minimaliseren of er een doekje van ontkenning over te leggen.
Luc: Misschien moet ik het woord inderdaad terug durven gebruiken in zijn wijdsheid. Zoals het woord transcendentie soms een beladen woord lijkt te zijn, terwijl het voor mij gewoon het overstijgen van alle betekenissen betekent. Soms gaan woorden een soort leven leiden, waardoor ze worden beperkt omdat bepaalde groepen mensen dat woord gebruiken, of zo. Inderdaad troost,… heel interessant.
In dat opzicht kan ik echt wel zeggen dat wanneer ik mij fysiek heel slecht voel, en ik er op dat moment niet in slaag iets te doen, en als ik dan kijk naar een van mijn schone stukken, soms maar een minuut, of nog niet, kan ik plots de energie voelen om te gaan schrijven of de afwas doen. Dat is heel sterk en dat is heel raar.
En natuurlijk bestaan we niet op onszelf. Want je kunt wel zeggen: “Ja, je hebt dat toch niet nodig. Waar is je geluk nu, dat niet van omstandigheden afhangt?”
Misschien is het niet geluk, maar gewoon functioneren dat afstemt op kunst.
Ik moet als fysiek mens eten en ademen, en ik kan wel zeggen dat mijn geluk niet afhangt van omstandigheden. Maar als ik geen zuurstof heb, dan ga ik dood.
En ik denk dat kunst of troost die van kunst uitgaan, ook iets is dat zich fysiek manifesteert. De fysieke kant van dit organisme dat, vreemd genoeg, plots beter functioneert door te kijken naar een schoon stuk. En de drang om muziek te schrijven komt dan heel sterk naar boven. Dat is ook de reden waarom ik een schilderij koop: niet om een lege plaats aan de muur op te vullen, maar omdat het mij raakt en inspireert.
Dat is helemaal iets anders dan het soms zielige gevoel dat ik bij het woord troost heb: ik ben zielig en iemand moet mij troosten.
Marleen: Troost is ook wat een kind nodig heeft wanneer het pijn heeft of verdrietig is. Troosten is dan zien en herkennen. ‘Het is oké, ik blijf bij u, ik kijk naar u.’ Wat jij ook zegt: in de realiteit van de dingen blijven met een open aandacht, waardoor het lijden vermindert of stopt.
Luc: Ja, ik ben het eigenlijk helemaal eens met wat je zegt.
Marleen: Denk jij dat Bach schreef omwille van zijn lijden, vanwege de grote verlieservaringen in zijn leven?
Luc: Misschien wel, ja. De muziek die ik zelf schrijf troost mij ook. Zowel het maken van de muziek als het beluisteren ervan. Het maken voedt mij en ook de voorbereidingen voeden mij. Het luisteren naar mijn muziek voedt mij én troost mij. En ik merk nu dat ik steeds het neutrale werkwoord voeden gebruik, maar ik ben helemaal bereid om dat ook als troost te erkennen.
Marleen: Is er een verschil tussen je laten voeden en inspiratie? Luc:
Het geluk dat niet afhankelijk is van omstandigheden kan soms ondergesneeuwd raken in de complexiteit van de geest en van alle emoties. Schoonheid, bijvoorbeeld van kunst, kan dan inspireren om terug te zien.
En dan kun je wel zeggen dat het het kunstwerk is dat u inspireert, dat is dus niet los van omstandigheden, maar het is eigenlijk het kunstwerk dat als omstandigheid u terugbrengt naar die toestand van geluk die niet afhankelijk is van omstandigheden.
Francis Lucille, een Franse advaita-leraar, zegt:
‘Kunst die raakt, opent een deur naar uw innerlijk, waar dat geluk reeds aanwezig is dat niet afhangt van omstandigheden.’
Het is nooit het object zelf dat schoonheid is; het is het object dat u in verbinding stelt met de schoonheid die al in u bestaat.
Dat vind ik wel heel interessant.
Marleen: Jij bent iemand die al acht jaar oefent om zich niet te verliezen in de pijn, terwijl er aanleiding genoeg is tot lijden, en die het woord troost amper uitspreekt. Want als jij jezelf herleidt tot iemand die getroost moet worden omdat er zoveel pijn in uw leven is, dan kan je niet meer zijn wie je eigenlijk bent. Klopt dat?
Luc: Ik ga je een verhaal vertellen dat ik vaak aan mijn zenleerlingen vertel. Op een woensdagochtend, toen ik nog les gaf in de muziekacademie, stond ik op met een enorme uitstralende pijn in mijn linkerbeen. Ik wist niet wat het was. Ik had enorm veel pijn, maar was vastberaden om mijn geluk niet te laten verstoren door de pijn. Het is gewoon pijn. Voilà, ik trek me er niets van aan. Ik voel ze gewoon, ze loopt niet weg, ik laat mijn geluk niet verstoren.
Aan het einde van mijn werkdag, om 23u30 ‘s avonds, sta ik terug aan het Centraal Station van Antwerpen en begin aan mijn twintig minuten durende wandeltocht naar huis. En ik dacht: straks ga ik thuiskomen en gaat Anne, mijn partner, vragen hoe de dag is geweest, en ik ga zeggen: “Ik heb heel dag zoveel pijn gehad aan mijn been.” En zij zal antwoorden: “Maar sukkeltje toch.” En dat is ook zo gebeurd.
Waarom vertel ik je dit verhaaltje? Wat is de logica ervan? Terwijl ik tijdens de dag geen last heb ervaren van de pijn, is diezelfde pijn wel aanwezig in het mens-zijn en in relatie zijn met anderen. Als zij niet thuis op mij zat te wachten, was het een heel ander verhaal geweest. Maar eigenlijk is dit een deel van het intermenselijke spel.
Ik kan onmogelijk thuiskomen en zeggen: “Ik heb een hele dag een enorme pijn aan mijn been gehad, maar ik heb er geen last van gehad.” Terwijl ik dat wel zo had ervaren tijdens de dag. Dat verhaal is binnen de menselijke interactie niet zo interessant.
Marleen: Hoe doe je dat: je geluk niet laten afhangen van pijn?
Luc: Die gedachte komt spontaan. Marleen: Is het niet een heel erg dunne lijn tussen enerzijds: “Ik kijk er naar en laat de pijn gewoon zijn”, en “Ik laat mijn geluk er niet van afhangen”, en anderzijds “Ik onderdruk de pijn en doe alsof hij er niet is om gelukkig te kunnen zijn”?
Luc: Ja, maar als je de pijn onderdrukt creëer je een afscheiding. Uiteindelijk ga je de pijn toch voelen en dan ervaar je die wrijving die we lijden noemen. Dus ik heb de pijn laten stralen als een soort van pijnkanaal.
Marleen: Als beginnende beoefenaar van bewustzijn is het een complexe oefening om het subtiele onderscheid te kunnen waarnemen tussen enerzijds het niet onderdrukken, het ernaar kijken maar het mijn leven niet te laten beheersen, en anderzijds het ontkennen van de realiteit zoals ze is.
Luc: Je moet de pijn ten volle durven voelen. Ik gebruik dikwijls het beeld van een kindje dat uit angst niet onder zijn bed durft te kijken omdat er een monster onder zit. De angst verdwijnt pas wanneer het kindje durft te kijken en ziet dat er geen gevaar is. Hetzelfde met pijn: als je pijn niet wil voelen uit angst voor het lijden dat die pijn met zich mee kan brengen, dan is het lijden al daar. Als je de pijn ten volle voelt, houdt hij op een monster te zijn.
Marleen: En troost is dan een vorm van aanwezig zijn met open aandacht en aanvaarding bij de realiteit zoals ze is, dus ook bij de pijn die er is?
Luc: Ja, in aandacht. Je kunt zeggen dat de aandacht die ik geef aan mijn eigen fysieke pijn, dat dat troost is. De aandacht haalt de angel van het lijden eruit. Dus dat is troost voor Luc, maar ook voor de pijn zelf, die daarin ongescheiden zijn. Wie troost ik wanneer ik aandacht geef aan de pijn en die ten volle laat zijn, ook mijn emotionele pijn?
Vaak denken mensen: “Ik mag dat verdriet niet laten zijn, want dan word ik er helemaal in meegesleurd.” Het tegenovergestelde is waar. Als je je verdriet of kwaadheid echt ten volle voelt, zonder in actie te komen of van daaruit gaat handelen, maar echt je emotie laat razen, als het ware, besef je dat dat jou helemaal niet beschadigt of onderuit haalt.
Luc De Winter (1966) is zenmeester en componist. Wegens chronische gezondheidsproblemen leidt hij een teruggetrokken bestaan waarbij hij zich concentreert op het begeleiden van zijn zenstudenten en het schrijven van muziek. Zijn oeuvre bestaat uit werk voor kleine bezettingen; het is sterk verbonden met de praktijk van het zenboeddhisme en vergelijkbare tradities.
Referentie:
Meister Eckhart. (2002). Het boek van de goddelijke troost. (J. Calis, B. Nagel, & T. van Velthoven, Vert.) Ten Have; Pelckmans.